Jan Verkade – Vergeten Zaanse schilder

, , Leave a comment

Jan (Johannes Sixtus Gerhardus) Verkade, geboren in 1868 in Zaandam, was de zoon van Ericus Verkade en Eduarda Thalia Koning. Ericus Verkade was de oprichter van Stoom-Brood en Beschuit-fabriek ‘De Ruyter’.Het gezin van Verkade had zeven kinderen waaronder Jan die als schilder bekend werd en Eduard die toneelspeler werd. Jan groeide op in een artistieke omgeving, vader schilderde en in moeder’s familie kwamen enkele bekende schilders voor. Jan zijn broers Ericus, Arnold en Anton kozen voor het bedrijf vader Verkade.

 

Jan Verkade, zelfportret, 1891-1894.

Na het lager onderwijs gaan Jan en zijn tweelingbroer Erik in 1881 naar een kostschool. Door hun opstandigheid worden de ouders naar school gesommeerd, maar in plaats van straf worden ze uit mededogen door de ouders weer mee naar huis genomen. Jan heeft dan al z’n liefde voor tekenen ontdekt.

Jan gaat naar de handelsschool, maar al snel krijgt de drang om te schilderen de overhand. Hij mag van zijn vader naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij volgt de opleiding twee en half jaar maar heeft het gevoel dat hij daar niets kan leren. Wat hij wel leert kennen is het Amsterdamse kunstenaarsleven en hecht, zoals hij later zelf zegt, ‘weinig waarde aan orde, nauwkeurigheid en stiptheid’. Het is ook de tijd dat zijn vriendschap met de kunstenaar Richard Roland Holst ontstaat.

In deze periode weigert hij zijn belijdenis in de Doopsgezinde kerk te doen. Hij is hongerig naar nieuwe ervaringen, leest moderne literatuur: Flaubert, Tolstoi en Emile Zola als zijn favoriet.

In Amsterdam kreeg hij les van o.a. H. J. Haverman. Nadat de Academie is afgezworen trekt hij in 1889 naar Hattum waar zijn zuster Anna woont. Anna is getrouwd met Jan Voerman, een bekend landschapsschilder. In Hattum voegen ook Roland en zijn vrouw zich bij hen. Uit die tijd dateert het portretje dat Holst van Verkade maakt.

Jan Verkade in Hattum door R. R. Holst – 1891

 

Uit deze tijd stamt dit brieffragment; ‘Je zit er aan vast hoor, aan die menschvretende juffrouw, die ze kunst noemen. Kunst maken: die poging om eens wat mooiers te maken dan er in de wereld te zien is. En dan moet je dat gepruts van me zien! Ik zal eens naar Parijs gaan van de winter en al die procédé’s eens gaan bestuderen’.

Dat doet hij en in begin 1891 trekt hij naar Parijs en huurt voor een maand een kamer en zoekt Jacob Meier de Haan op. De Haan was al langer in Parijs en was bevriend met de broers van Gogh en Gauguin. Via de Haan maakt hij kennis met het Symbolisme waarin gezocht wordt naar een subjectieve, droomachtige en bovennatuurlijke wereld. Hierin wordt getracht niet langer de realiteit weer te geven maar de zintuiglijke waarnemingen die door de realiteit worden opgeroepen aanschouwelijk te maken.

Een belangrijke figuur in de schilderswereld van Parijs was Paul Sérusier die met Gauguin had geschilderd en een groep gelijkgestemden om zich heen had verzameld die zich ‘Nabis’ noemden; Nabis is het Hebreeuwse woord voor profeten. Verkade wordt in deze kring opgenomen. Als Gauguin in april 1891 naar Tahiti vertrekt organiseren Meier de Haan en Verkade een afscheidsbanket voor de gevierde schilder.

Verkade laat Parijs ook achter zich en vertrekt met de Deense schilder Mogens Ballin naar Bretagne en laten zich inspireren door de simpele vormen en kleuren van het Bretonse boerenleven. Net als Gauguin schildert Verkade in strak omlijnde kleurige vlakken het Bretonse landschap.

 

Paysage aux Meules de Foin 

Als Paul Sérusier zich in Bretagne bij hen voegt drijven de discussies steeds meer in de richting van spirituele en mystieke ideeën over kunst. Verkades Deense vriend Ballin raakt in een crisis en ook bij Verkade lukt het werken steeds minder en hij zoekt troost in de alcoholische roes van de absint. In deze crisis besluit hij eind 1891 naar huis terug te keren.

Jan Verkade had enkele van zijn werken mee naar huis gebracht waarop zijn moeder bij het zien uitriep: ‘God, Jan wat lelijk! ’t Is net een borduurwerk’. Zijn Amsterdamse kunstvrienden hadden meer waardering voor zijn werk. Voor hen was hij een tussenpersoon die hen wegwijs kon maken in de Franse kunstwereld van dat moment. Hij introduceert de ideeën van Gauguin hier in Nederland.

In maart 1892 keert hij terug naar Parijs maar moet constateren dat hij veranderd is en niet meer past in het wereldje. De religie, waar hij in Bretagne met Paul Sérusier zoveel over had gesproken, hem blijft trekken.

Terug in Bretagne ontmoet hij tijdens een bezoek aan de katholieke kerk, pater Mathurin Le Texier. De gesprekken met de geestelijke leiden tot zijn bekering en hij laat zich in augustus 1892 dopen. Jan heeft zorgen om wat zijn familie ervan zal denken zo schrijft hij in z’n memoires: ‘Het is allemaal op proef, als ik me laat dopen, en vader en moeder hoeven er voorlopig niets van te weten. Zal het ooit zover komen?’ Zijn schilderkunst kan vanaf nu een hoger doel dienen in dienst van het mystieke en het religieuze en weer kunst voor de gemeenschap worden. Hij stelt alleen zijn broer Ericus op de hoogte die geheimhouding belooft, maar er wel het zijne van denkt ‘ieder z’n meug’ tekent hij aan.

In één van zijn brieven aan zijn vriend Roalnd Holst, maart 1893, schrijft Jan: ‘’t Was in dat mystieke St. Nolff, dat stukje grond, dat ik vanuit den trein gezien had en dat me dadelijk had aangetrokken, dat ik zachtjes aan begon te gelooven. Een vaag erg algemeen geloof aan een opperst wezen, waarvan de kiemen reeds in ’t vorig jaar bestonden, ontstaan door gesprekken met Sérusier en anderen.’

In oktober 1893 brengt Verkade een bezoek aan het Benedictijner klooster Beuron in Duitsland. Sinds 1890 was dit klooster onder leiding van schilder en pater Desiderius Lenz omgevormd tot religieuze werkgemeenschap. Verkade is zo onder de indruk dat hij in 1894 inwonend kunstenaar wordt in het klooster. Zijn verblijf daar is zo inspirerend dat hij besluit om monnik te worden. Vanaf nu heet hij Dom Willbrord Verkade.

Benedictijner klooster Beuron

 

In tegenstelling tot zijn vrije leven en de vrije kunst in Parijs, moet hij als leerling zich nu aan de strikte regels van de kunst van Beuron houden. In 1903, om aan het keurslijf te ontsnappen, verlegt hij zijn aandacht naar Monte Cassino om mee te werken aan een muurschildering. Na terugkomst vraagt hij toestemming  het klooster te mogen verlaten en in Munchen als schilder aan zijn eigen stijl te gaan werken.

Ook bezoekt hij weer zijn vrienden in Parijs die weer blij zijn hem te zien en geven hem, als hij weer naar Munchen vertrekt, als cadeau een collectie schilderijen mee. Deze schilderijen zijn voor in Duitsland werkende schilders, zoals Alexej von Jawlensky, een openbaring. Jawlensky neemt de Franse stijl over en hij op zijn beurt heeft weer invloed gehad op schilders als Kandinsky en Münter. Zo heeft Verkade, net als in Nederland ook hier artiesten kennis laten maken met de Franse school.

Zijn eigen werk heeft nooit meer het niveau van zijn eerste Franse jaren gehaald. Hij zocht naar schoonheid; ‘gloeiende ijver voor het Schoone’ noemde hij het zelf. Zijn werk als monnik wordt belangrijker en in zijn autobiografie meent hij dat het leven als monnik niet te verenigen lijkt met het kunstenaarschap.

 

Hij overlijdt in het klooster in 1946, 78 jaar oud.

 

 

Jan Verkade – 1912

 

 

 

Bronnen:

 

Rudolf Bakker:  Jan Verkade of: Een hollands drama in brieven

Marieke Dubbelboer: Jan Verkade (1868-1946): Schilder en monnik in de Franse  avant-garde.

Van Goghmuseum

 

Leave a Reply