De Franse school in Zaandam

, , Leave a comment

In vroeger tijden had de kerk een grote invloed op het onderwijs. Het was vooral de bedoeling dat het volk de bijbel kon lezen. Aan de onderwijzers, vaak gecombineerd met de taak van voorzanger in de kerk, werden dan ook eis gesteld van kennis van de schrift en een ordentelijke leefwijze. Na het zelfstandig worden van de Republiek namen de overheden het heft in handen. In de steden en dorpen moest een school haar onderwijzers voor goedkeuring voordragen aan  de stedelijke overheid. Het doel van het dorpsonderwijs werd nu om de leerlingen te vormen ‘tot ijverige, voorzichtige en vernuftige lieden’.

Voor de handel en industrie werd meer vereist. Op de Fransche school onderwees men schrijven, rekenen, boekhouden, aardrijkskunde en geschiedenis en een vreemde taal, Frans, Duits of Engels.

Vanaf eind zestiende eeuw waren de schoolmeesters vaak vluchtelingen uit Frankrijk (Hugenoten) of de Zuidelijke Nederlanden. De schoolmeester kon eigenaar van de school zijn en heette dan vaak Franse (kost-)schoolhouder, maar kon ook in dienst zijn van de stad of het dorp.

In de 17e eeuw was Frans de taal der elite en in die periode kwamen veel vluchtelingen uit Franssprekende gebieden die zich mettertijd tot onderwijzer voor deze taal aanboden; zij werden ‘Francoise schoolmeester’ genoemd. Ook in de Zaanstreek zagen dergelijke scholen het licht. In 1633 noemde Isaack Josephsz. Coupri zich Fransche schoolmeester[1]. In de familie Coupri werd het vak van onderwijzer van vader op zoon doorgegeven. In 1768 is er nog steeds een Jan Coupri die lesgeeft.

Een school was een privéonderneming; de onderwijzer leefde van de opbrengst van zijn school, d.w.z. het schoolgeld. Soms werd de school gecombineerd met een kostschool waarbij de jongens bij de onderwijzer in huis of apart gehuisvest werden.

 

De Franse School

De Fransche school kan beschouwd worden als een vorm van middelbaar onderwijs. De vraag van ouders, wat ze hun kind wilden laten bijbrengen, was van invloed op wat de school aanbood. De betaler bepaalt. De ouders bepaalden ook voor een belangrijk deel wanneer zij een opleiding voltooid vonden; ze haalden de leerling van school. Het onderwijs aan de Fransche school was alleen weg gelegd voor wie dat kon betalen. Ouders die in de handel of industrie van de 17e eeuw werkzaam waren, hadden die gelegenheid.

De school in Oostzaandam was gevestigd op het Fransche Pad. In een stuk van notaris Houwert van 21 september 1656 staat, “Mr. Gillis van Breen Frans schoolmr op t france padt”. Het zou heel wel mogelijk zijn dat het pad aan de aanwezigheid van de school haar naam dankt. Vanaf 1660 tot 1674 was Isaac Coupry hoofd van de Franse school te Oostzaandam aan het Franse pad.

Oude school op het Franse Pad, hierin werd tot 1890 school gehouden (tekening J. Kruyver.)

 

Het waren niet alleen Zaankanters die de school bezochten. In de tijd dat de Zaanstreek op het hoogtepunt van haar industriële roem stond, kwam ook jongens van andere streken hier hun kennis verrijken. Al in 1680 geeft schoolmeester Corn. Jansz. Kalff een volmacht af om geld te vorderen van een persoon in Bragenes – Noorwegen voor “montkost, gedaen onderwijs als anders aen Johannes Andriesse van de Silverbergh”.[2]

 Er wordt aangenomen dat deze jongens hier kwamen om Nederlands te leren zodat ze de taal in de handelscontacten met Nederland konden gebruiken. Veel van de jongens kwamen uit het Oostzeegebied waar veel handel in hout mee werd gedreven. Maar men kwam hier ook voor het leren van stuurmanskunst waarin ons land hoog stond aangeschreven. Op 3 december 1653 kreeg Dirk Jacobsz. toestemming van de regenten van Westzaandam om les te geven in navigatie en cijferen.

In 1818 werd op het Franse pad de Stadsarmenschool opgericht en in gebruik genomen. De eerste onderwijzer, J. Emous, werd in datzelfde jaar benoemd. 10 jaar later zaten er op de school ruim 200 leerlingen. Of de Stadsarmenschool van de gebouwen van de Franse school gebruik maakte is mij niet bekend. Bij de pijl op bijgaand kaartje zijn het de rood gearceerde panden. Kaartje uit het boek, ‘Op Goede Gronden’ van Henk Roovers, pijl is van mij.

 

Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen

De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, opgericht in 1748, kwam voort uit De Verlichting en had ten doel om het lot van het achtergebleven deel van het ‘gewone volk’ te verbeteren. Dat deed ze o.a.  door verbetering en het aanbieden van onderwijs. Onder de initiatiefnemers waren procentueel veel Doopsgezinden. Opvallend is ook de jonge leeftijd van de bestuurders van de Departementen, zoals plaatselijke afdelingen genoemd werden. De eerste departementen in de Zaanstreek werden in 1786 in Oost- en Westzaandam opgericht.

Eén van de eerste daden was het oprichten van een Frans – Latijnse school, in feite een voortzetting van de al bestaande school, maar nu  onder de paraplu van de Maatschappij. Het was een bijzonder initiatief omdat het departement Zaandam de eerste was dat een dergelijke school in het leven riep. Allereerst kregen de kinderen van Nutsleden toegang tot de school. Later werden ook kinderen van niet-leden toegelaten tegen een hoger schoolgeld. Aan de school was ook een kostschool verbonden.

Het feit van de stichting van deze nieuwe school wordt door Adriaan Loosjes aangemerkt als, ‘een doorslaand blijk van opleeverende  van de heilzame gevolgen der Maatschappije Tot Nut van ‘t Algemeen, en van den verstandigen ijver der Zaandammeren in het voortzetten van nuttige kundigheden’[3].

Deze school stond waarschijnlijk in de Oostzijde ten noorden van het Kramerspad. Het eerste hoofd werd de uit Heusden afkomstige Pieter Fortuyn. Voorwaarde was dat hij geen leerlingen zou  weghalen bij de plaatselijke ‘lagere schoolmeester’, die van de inkomsten van hun leerlingen afhankelijk waren. Fortuyn mocht niet anders dan vreemde talen, zoals Fransch, Latijn etc. doceren. Fortuyn schijnt al snel naar uitbreiding van zijn taken te zoeken want in 1793 doet men het verzoek aan de hoge heren van Oostzaandam om toe te staan dat hij Handelskennis gaat geven. Men verzocht hem ook toe te staan bijlessen te geven aan ‘reeds gevorderde Jongelingen’ om hetgeen zij reeds geleerd hebben, te doen onderhouden’.

Voortdurend waren er problemen met de financiën die door de leden, bij intekening, opgebracht moesten worden. In 1794 bleek er een nadelig saldo te zijn van fl. 2.548,–. Het eerste Fransch en Latijnsch school-examen vindt op 5 juli 1794 plaats in ’t logement ‘De Oude Prins’.

Achterzaan met rechts van het midden de herbergen De Oude Prins, De Otter, en De Drie Zwanen.

 

In 1799 wordt het contract met burger Fortuyn voor 2 jaar verlengd. In 1801 komen er voor de functie 4 sollicitanten waarvan er twee niet geëxamineerd wensen te worden. Burger J.C. van Altena uit Westzaandam krijgt de voorkeur voor de periode van 2 jaar.

In 1814 nam de gemeente deze school over als Stedelijke Dag- en Kostschool voor Jonge Heeren. Deze werd gevolgd door een school voor Jonge Juffrouwen. In 1819 werd dit een openbare school.

De Franse school verdween in Nederland door de onderwijswet van 1857, die onder meer de Mulo instelde, die in de praktijk de Franse school verving. In sommige plaatsen werd de Mulo nog langere tijd Franse school genoemd.

In 1863 werd de wet op het middelbaar onderwijs vastgesteld. De zogenaamde M.O.-wet 1863 rekenende tot het middelbaar onderwijs: burgerscholen, hogere burgerscholen en middelbare meisjesscholen en waren de vervangers van o.a. de Franse scholen, incl. de kostscholen. En daarmee kwam er een eind aan het bestaan van de Franse school. In Zaandam werd in 1866 de Hogere Burgerschool (HBS) opgericht.

 

Gevonden prentje.

In een oud blad zoals ‘Het Leven’ vond ik een foto in een reportage uit 1936 met daarbij de volgende tekst;

1 en 2. Oud Zaandam. – Een woning aan de Franschestraat te Zaandam, circa 300 jaar oud. Vroeger was in dit gebouw de z.g. Fransche school gevestigd, die later werd omgebouwd tot woonhuis.

1. Vooraanzicht van het gebouw. 2. De schilderachtige omgeving.

Voor mij is het de vraag of dit stenen woonhuis wel als Fransche school heeft gediend. Misschien is de dame op het ene plaatje ook wel die op het andere. Schilderachtige steeg, dat wel.

 

 

 

Prenten: Gemeentearchief Zaanstad

[1] Op Goede Gronden – Henk Roovers

[2] Buitenlanders op Kostscholen te Zaandam in de zeventiende eeuw – Simon Hart

[3] Adriaan Loosjes – Beschrijving van de Zaanlandsche Dorpen, blz. 267

 

Leave a Reply