De nachtar­beid voor bakkers.

, , Leave a comment

We leven nu in een wereld waarin de werkom­standighe­den van arbei­ders behoor­lijk beschermd zijn. Daar is veel strijd voor geleverd door onze vooroud­ers, strijd tegen geves­tigde belan­gen, strijd tegen standsver­schillen en onver­schil­ligheid. Hier een voor­beeld uit de bakker­swereld.

In de bakker­swereld geeft sinds de mid­deleeuwen het kleinbedrijf de toon aan. Het is voor­namelijk de bakker en de knecht die het werk doen. Het eten van de arbei­der bestond uit aar­dap­pe­len en rogge­brood of een mengsel van tarwe– en rogge­meel. Na 1850 wordt er, vooral in het westen, met de groei van de indus­trie, meer vers brood gegeten. Het werd een gewoonte voor de burg­erij om ’s mor­gens vers brood te eten. Ook de arbei­dende bevolk­ing nam dit over omdat dit verse tarwe-​wittebrood het lekker­ste is als het vers wordt gegeten. In de enquête van 1890 zegt men het zo:

De men­schen gaan ’s mor­gens vroeg van huis. Van het brood dat zij dan mede nemen moeten zij den gehee­len dag leven, en wan­neer ze dus al begin­nen om oud-​bakken brood mede te nemen, dan wordt het zóó droog, dat het haast niet te gebruiken is.”

Als de con­sump­tie van vers brood stijgt zal ook de arbeid om het brood ’s mor­gens vroeg in de winkel te hebben aangepast moeten wor­den; dat is de komst van de nachtar­beid. De zelf­s­tandige bakkers passen zich aan en van de bakkers­gezellen wordt het­zelfde gevraagd. Vaak wordt na het bakken nog een ronde van bezor­gen gedaan. Dan komen er tegengeluiden.

In de bakkerij werkt men dus bijna de hele week. Want ook op zondag wordt vers brood gevraagd, dus wordt er in de nacht van zater­dag op zondag ook gew­erkt; er is geen vrije dag meer. Door de week begint men om 3.00 uur tot 10.30, dan gaat men ven­ten tot rond 13.00 uur. Op zater­dag­mid­dag begint het werk om 12 uur tot zondag­mid­dag 12 uur. De week begint weer op maandagmorgen.

Foto: Bakkerij Wessels in Deventer omstreeks 1920 

Het gezinsleven lijdt eron­der en in protestants-​christelijke omgev­ing is de zondagsrust een belan­grijk gegeven. Men vindt “dat naar de natu­urlijke orde der din­gen, de dag er is om te werken, de nacht om te rusten” en alleen in noodgevallen mag daar­van afgeweken worden.

De eerste broodfabriek werd in 1856 opgezet door de Amsterdamse arts/ondernemer Samuel Sarphati. Door deze mechanisatie kon het werk lichter worden en kon het brood goedkoper worden. Hiermee kwamen de kleine, zelfstandige bakkerijen onder druk te staan en hiermee ook de bakkersgezellen. Kleine bakkers proberen zich te verenigen in coöperaties om enige tegenwicht te bieden.

De bakkersgezellen proberen zich ook te organiseren. De eerste poging kwam tot stand in 1887 met de socialistische bakkersgezellenvereniging ‘Loon naar Werk’. Er werd vooral gesproeken over welke richting men op zou gaan. Na akties in het bakkersvak voor een beter loon en betere werkomstandigheden werd 1890 de Nederlandsche Bakkersgezellenbond opgericht. Na weer een teleurstellend verloop werd in 1894 de Bakkersgezellenbond opnieuw opgericht en werd direct tot Aktie overgegaan. De eisen voor zijn  een werkdag van 12 uur en op zaterdag 18 uur, loonsverhoging en eerbiediging van de zondagsrust.

Ook in de Zaanstreek wordt door de bakkers de onrust gevoeld en op 12 mei 1894, tijdens een openbare vergadering in De Waakzaamheid waren alle sprekers het erover eens dat loon en werktijd hier aan de Zaan beter geregeld moesten worden. Er was een schrijven van dhr. Verkade, de broodfabrikant, waarin hij aanbood in overleg te willen treden. Hierop waarschuwde dhr. Schagen dat “men kleine bazen niet met een fabrikant op ééne lijn mocht stellen”. Dhr. Switzer opperde dat men nu eens over moest gaan naar een vaste loonstandaard zodat de bakkersgezellen niet meer bij hun baas in de kost hoeven te gaan. Voorzitter Timmer stelde de vergadering voor af te sluiten met de eis; ‘afschaffing van de zondagsarbeid’. Hier kon men mee instemmen.

De bakkers­gezellen in Ams­ter­dam besluiten na een ver­gader­ing op zondag 25 novem­ber tot stak­ing over te gaan. Na Ams­ter­dam vol­gen andere ste­den zoals Haar­lem, Gouda, Den Haag, Amers­foort. De stak­ing in Zaan­dam lev­ert  80 nieuwe leden op voor de bond.

Aan de stak­ing in Ams­ter­dam namen 1300 mensen deel. Er was enig oproer, bakker­skar­ren wer­den in het water geduwd en het brood werd verdeeld. Poli­tie en mil­i­tairen waren paraat. De vol­gende dag gaven de werkgev­ers toe aan alle eisen. Dezelfde avond werd het werk weer her­vat. De bond wist de winst van de stak­ing echter niet te behouden. Bin­nen één maand na de stak­ing liep het lede­naan­tal van 900 terug naar 200, en het bleef dalen. De verdeeld­heid onder de bon­den was hier mede debet aan. De Chris­telijke Bakkers­gezel­len­v­erenig­ing sprak haar schande uit over de stak­ing ‘die in strijd met God’s woord is “.

De werkgev­ers laten zich ook niet onbe­tu­igd en ontslaan daarop in decem­ber een aan­tal van de stak­ers. De Ams­ter­damse bond roept hierop een stak­ing uit, maar die mis­lukt jam­mer­lijk. De werkgev­ers maken ruim gebruik van “onderkruipers” om het werk gedaan te kri­j­gen, zoals gewoon­lijk met behulp van poli­tie en leger. Hierop lijdt de social­is­tis­che bond weer een behoor­lijk leden­ver­lies.

 

Een bakker wordt door de poli­tie beschermd.

 

Niet alle werkgev­ers staan onwel­wil­lend tegen­over het afschaf­fen van de nachtar­beid, maar het zijn over­weg­in­gen van con­cur­ren­tie die het er niet van laten komen. E.G. Verkade jr., brood­fab­rikant, zegt tij­dens de ver­horen van de enquête van 1890 dat de nachtar­beid best kan ver­vallen, als ook Ams­ter­dam mee­doet. Het­zelfde zegt bakker Aber­crom­bie. Er is bij hem altijd ’s nachts gew­erkt, alle bakkers doen dat want Kooy uit Ams­ter­dam vent in Zaan­dam ’s mor­gens en ’s mid­dags vers brood. Ze moeten wel meegaan.

 

Brood- en beschuitfabriek De Ruyter van Verkade, in 1886 van start gegaan.

In 1892 roept dezelfde E.G. Verkade jr. in Zaan­dam de bakkerspa­troons bijeen om een antwo­ord te zoeken op de vraag of het mogelijk is het bakken in de nacht van zater­dag op zondag en het bezor­gen op zondag­mor­gen te beëindi­gen. De 13 aan­wezige werkgev­ers vin­den allen dat het niet nodig is om op zondag brood te bezor­gen. Eén is daar al mee gestopt en ondervindt er geen hin­der van. De anderen bli­jven bang dat het hun klanten zal gaan kosten en besluiten nog geen besluit te nemen.

Verkade besluit dan zelf maar te begin­nen en maakt via een adver­ten­tie op 11 mei 1892 bek­end dat om bakkers­gezellen en depothoud­ers de nodige rustdag te ver­schaf­fen er zater­da­gavond brood zal wor­den bezorgd i.p.v. zondag­mor­gen. Het voor­beeld wordt door nog twee bakkers gevolgd.

Het is slechts een begin. Er volgt nog een lange weg om de nachtar­beid van bakkers goed te rege­len. Door de moordende concurrentie van de fabrieken, dreigden kleine bakkers zich over de kop te werken. Min­is­ter Talma dient in 1909 een ontwer­p­wet in, maar die kri­jgt geen meerder­heid in de Kamer. Volgens Abraham Kuyper riekte deze wet te veel naar staatsbemoeienis en beperkte die de ondernemersvrijheid; Kuyper laat Talma vallen. Pas in 1919 komt er wat schot in de zaak als de arbei­ds­duur in het alge­meen geregeld wordt via de Arbei­dswet en ook bakkers­gezellen niet meer dan 45 uur per week mogen werken.

Algemene Nederlandse Bond, Bakkers- Chocolade en Suikerbewerkings Bedrijf. Afdeling Wormerveer I.1917

 

 

 

Bron­nen: Onvoltooid verleden, Ned­er­lands Bakker­i­j­mu­seum, Enquete Staatscom­missie 1890.

 

Leave a Reply